Bij het vormen van jouw identiteit spelen zowel genen als opvoeding een rol. Genen bepalen hoe je eruitziet en hoe je je voelt. Maar hoe jij je gedraagt, komt door hoe je bent opgevoed. Dit betekent dat je veel van je ouders leert. Je leert van hun goede kanten, maar soms ook van hun minder goede kanten. Dit kan een verrijking zijn, maar ook een uitdaging.
Het overnemen van eigenschappen van je ouders kan zowel positieve als negatieve gevolgen hebben. Aan de ene kant kun je bepaalde sterke punten erven, zoals doorzettingsvermogen, die jou kunnen helpen in je persoonlijke en professionele leven. Aan de andere kant kun je ook minder wenselijke eigenschappen overnemen, zoals negatieve denkpatronen. Het is goed om te weten wat je van je ouders hebt gekregen. Dan kun je kiezen of je dit wilt houden of veranderen.
Het is belangrijk om te weten dat je zelf kunt kiezen wie je wilt zijn. Je hoeft niet precies zo te zijn als je ouders. Je kunt nadenken over wat je goed vindt aan jezelf en wat je wilt veranderen.
Denk na over jezelf: Probeer vaak stil te staan bij wat je doet en waarom je het doet. Herken de positieve en negatieve eigenschappen die je hebt geërfd. Stel jezelf de vraag hoe deze je leven beïnvloeden en welke stappen je kunt zetten om ze te versterken of te veranderen.
Acceptatie en verandering: Accepteer dat bepaalde eigenschappen deel uitmaken van wie je bent, maar weet dat je altijd de mogelijkheid hebt om te veranderen en te groeien.
Praat met anderen: Praat met vrienden, familie of tijdens een mannencirkel over de worsteling met bepaalde eigenschappen. Samenwerken met anderen kan nieuwe inzichten en perspectieven bieden.
Koester je eigenheid: Ontdek wat jou uniek maakt en koester deze aspecten van jezelf. Dit zal je helpen om een evenwichtige en authentieke versie van jezelf te worden.
Ahó